Lucepedia

Digitale theologische encyclopedie

Verantwoordelijke redacteur dossier: Sjoerd van Hoorn
Dossiers » Psychoanalyse en religie » introductie » Sigmund Freud

Sigmund Freud

Sigmund Freud (1856-1939) was een Oostenrijkse arts die de grondlegger werd van de psychoanalyse. Hij werd geboren in Moravië in het huidige Tsjechië als kind van arme joodse ouders, maar hij studeerde toch medicijnen in Wenen, waar hij zich specialiseerde in de neurologie en de psychiatrie.
 
Naast zijn medische colleges ontwikkelde Freud ook een belangstelling voor filosofie. Hij volgde colleges van Franz Brentano en werd daarnaast beïnvloed door Eduard von Hartmann. Schopenhauer en Nietzsche kunnen als voorlopers van Freud worden gezien. Schopenhauers notie van de wil en Nietzsche's ideeën over het Dionysische zijn sterk verwant aan Freuds idee van het onbewuste: bij Schopenhauer en Nietzsche zien we namelijk dat er onder het bewustzijn andere psychische krachten meespelen die het doen en laten van de mens mede bepalen.
 
Freuds denken vertoont ook verwantschap met de filosofie van Spinoza. Ook volgens Spinoza wordt de mens gestuurd door driften die hij niet op voorhand al kent en waar hij dus zonder het te weten door heen en weer geslingerd wordt. Spinoza kent een belangrijke plaats toe aan de bewustwording van emoties en driften in de verwerving van zelfbestuur door de mens. Freud neemt dit spinozistische idee over. De analyse die een patiënt ondergaat kan beschouwd worden als een ontwikkeling van Spinoza's inzicht dat zelfinzicht bevrijdt.
 
De methode van de psychoanalyse, namelijk het laten praten van de patiënt ("analysant") door de psychiater ("analyticus') ontleende Freud echter niet aan de filosofie, maar aan de psychiatrische praktijk van zijn oudere collega Josef Breuer, die patiënten succesvol wist te behandelen door hen onder hypnose te laten praten over zichzelf. Freud liet de hypnose als behandelmethode varen, maar hij ontwikkelde wel de "talking cure" verder. Het was een revolutionaire ontwikkeling in de psychiatrie: patiënten laten praten. Tot dan toe werden psychische kwalen vaak met, soms vrij hardhandige, lichamelijke middelen aangepakt.
 
Ofschoon Freud er aanvankelijk de hypothese op na hield dat psychische kwalen ontstonden door sexueel misbruik in de vroege jeugd, de verleidingstheorie, liet hij dat idee spoedig varen en ontwikkelde hij de theorie dat psychisch lijden juist voortkomt uit de fantasie. Hij kwam tot het inzicht dat het kind is behept met wat hij het Oedipuscomplex noemde: het verlangen van het kind naar de moeder dat wordt gefrustreerd door de vader. Opgroeien betekent in Freudiaanse termen: leren om te gaan met deze frustratie. Wie dat niet leert ontwikkelt een narcistische persoonlijkheid -- volgens de Franse psychoanalyticus Pierre Legendre is het narcisme dé kwaal van onze tijd. Met behulp van het Freudiaanse model argumenteert Legendre dat we ons massaal niet meer gezeggen door de wet van de vader en dat we daarom narcistisch (en uiteindelijk potentieel psychotisch) worden.
 
Freuds eerste boek van Der Traumdeutung. Volgens Freud komt het onbewuste, zeer eenvoudig gezegd die gedachten die we onderdrukken, gecodeerd tot uiting in dromen. Freud geeft in dit boek een uitleg hoe dromen te interpreteren.
 
Freud bracht zijn ontdekkingen over de psychische ontwikkeling van het kind, waarin het Oedipuscomplex de hoofdrol speelt naar voren in een veelheid aan klinische gevalsstudies en meer theoretisch en zelfs cultuurfilosofisch werk, als Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie en Das Unbehagen in der Kultur.
 
De cultuur heeft bij Freud een ambivalente positie. Ze is nodig om ons leven menselijk en leefbaar te maken, maar de cultuur onderdrukt ook veel van onze driften en gevoelens -- daardoor maakt de cultuur ons altijd een beetje ongelukkig.
 
Iets dergelijks geldt ook voor de religie. We hebben het begrip van God of goden ontwikkeld om zin te kunnen geven aan een wereld die ons overweldigt. Om de natuur aan te kunnen hebben we volgens Freud God verzonnen. God is dus een kinderlijke illusie die de primitieve mens nodig heeft. Later veranderde Freud enigszins van mening. Hij zag religie als iets dat onuitroeibaar bij de meeste mensen hoort; de mens heeft een transcendentale behoefte. Vlak voor zijn dood in 1939 voltooide Freud nog een boek over Mozes. Hij ziet in het jodendom de essentiële voorbereiding voor het abstracte wetenschappelijke denken waarin het Joodse volk zich zo ontwikkeld heeft. 


Bron: Tilburg School of Catholic Theology